Jan

JanIn 2001 stopt Jan met zijn boerenbedrijf. Hij heeft dan tijd voor zijn grootste passie; het houden, verzorgen, beleren en fokken van paarden. Zijn twee dochters, zoon en schoondochter vinden dat alleen maar mooi; ook zij hebben het paardenvirus te pakken. In de landelijke omgeving van Broek is Jan, samen met zijn vrouw Catrien, volop aan het genieten van de rust van het buitenleven en de omgang met zijn vee.

In 2007 besluiten ze een oude schuur af te breken en daarvoor in de plaats een overdekte manege te bouwen. De manege is bijna klaar als Jan in de tuin bezig is en hij zich niet lekker voelt. “Achteraf was dat al twee keer eerder gebeurd. Dan voelde ik mij een half uur beroerd en moest ik soms overgeven. Maar dat was vrij snel weer over en dan ging het ook wel weer.” Deze derde keer gaat het niet over. “Ik werd niet goed, kon bijna niet meer lopen. Geen tel dacht ik aan een hartinfarct.” Jan zegt tegen zijn vrouw dat ze beter kunnen stoppen met tuinieren. Op dat moment komt zijn schoondochter met de kleinkinderen langs. “Ik nam de kleinzoon nog mee op de tractor om deze weer in de schuur te zetten. Je moet de spullen wel even opruimen toch? Achteraf denk ik wel: hoe heb ik zo dom kunnen zijn? Mijn kleinzoon kwebbelde er lustig op los. ‘Pake dit’ en ‘pake dat’. Ik dacht alleen maar: ‘hou je alsjeblieft even stil’. Dat was niks voor mij, want mijn kleinkinderen zijn alles voor me.”

Jan gaat naar bed, hij voelt zich steeds beroerder worden. Catrien vertrouwt het niet en wil de huisarts bellen. Hiermee wacht ze tot de kleinkinderen weg zijn, ze wil niet dat zij het meekrijgen. Pas anderhalf uur na de eerste symptomen in de tuin belt Catrien de dokterswacht. De arts arriveert binnen 20 minuten. “De dokter was erg kien. Hij zag meteen wat er aan de hand was en belde een ambulance. Aan die man heb ik mijn leven te danken. Ik hoorde hem zeggen: ‘met naarstige spoed een ambulance!’ Toen dacht ik: dit is foute boel.”

Er volgen hectische momenten. De arts probeert een infuus aan te leggen, maar dat lukt niet. Als de ambulance arriveert wordt een monitor aangesloten en lukt het uiteindelijk een infuus aan te leggen. Catrien vertelt: “Ik weet nog dat we ’s avonds een emmer vol spullen opgeruimd hebben. Het lag bezaaid met verpakkingsmiddelen en infuusnaalden.”

Jan wordt rechtstreeks naar Leeuwarden gebracht, bruggen worden dicht gehouden. Als ze aankomen in het ziekenhuis wordt Jan direct naar de operatiekamer gebracht. Zijn humor is hij dan nog niet kwijt . “Als we zo naar huis gaan zullen we wel met de bus moeten.” Voor de familie lijkt de operatie dagen te duren. Jan wordt gedotterd en er wordt een shunt aangebracht. Dochter Hilda vraagt de arts een aantal keren of Jan het gaat redden. De arts geeft geen antwoord; niet voor de operatie en ook niet als hij op de Intensive Care ligt. Jan blijkt een infarct te hebben gehad die een groot deel van zijn hartspier heeft beschadigd. Zijn pompcapaciteit is nu nog zo’n 30 procent.

“Achteraf mag ik me gelukkig prijzen dat ik een hele goede conditie had. Toen we de boerderijactiviteiten stopten gingen we niet achter de geraniums zitten. We wandelden veel en fietsten ook graag. Ik heb meerdere keren de Elfstedentocht gewandeld en gefietst. Ik heb later wel eens gezegd: waarom kreeg ik nu een hartaanval terwijl ik zo gezond was? De dokter bekeek het van de andere kant. Hij zei dat juist dankzij mijn gezondheid ik nu nog leef, anders was ik er niet meer geweest.”

Na drie dagen op de Intensive Care in Leeuwarden verhuist Jan naar het ziekenhuis in Sneek. De ambulancebroeder heeft zijn dossier gelezen en zegt: “Bliksem Rijpkema, u heeft heel wat meegemaakt!” Dan pas begint Jan de ernst van de situatie in te zien. “Ik ben door het oog van de naald gekropen”.

Jan blijft nog 8 dagen in Sneek waarna hij terugkeert naar huis. “Ik had wel gewild dat de overdracht wat beter was geweest. We mochten naar huis, maar wisten van niets. Zo moesten we maandags bloed prikken in Joure, maar ik kon amper lopen. We zijn uiteindelijk wel gegaan, maar dat had natuurlijk niet gemoeten. Ze hebben me daar in de auto geprikt. Pas toen kwamen we erachter dat ze ook langs kunnen komen om bloed te prikken.” Uiteindelijk krijgen ze hulp van de hartconsulenten. Zij helpen Jan bijzonder goed. Hij kan hen  altijd bellen als er iets is en hij niet weet wat hij moet doen. “Ze stonden altijd voor ons klaar, in het begin hebben we ze best wel vaak gebeld. Ze waren altijd vriendelijk en luisterden naar ons en als er dan iets was dan gaven ze advies.”

Jan is dan wel thuis, maar nog lang niet de oude. De eerste dagen kan hij nauwelijks van de woonkamer naar de keuken lopen. Een rollator is aan Jan niet besteed en ook de revalidatiekliniek is niet zijn ‘ding’. “Ik ben daar wel één keer geweest, maar ik vond het vreselijk. De één was er nog erger aan toe dan de ander. Ik ben niet zo graag onder andere mensen en zeker niet in dát stadium.” Jan kiest zijn eigen pad, maar zit zeker niet bij de pakken neer. Elke dag wordt zijn rondje een beetje groter. Eerst even naar buiten, dan even naar de schuur en zo’n 3 maanden later kan hij ook bij de nieuwe manege komen.  “Ik had de nieuwe manege nog niet eens gezien.” De manege wordt Jans revalidatiekliniek. Hij loopt daar zijn rondjes, zonder dat iemand hem ziet.

Beetje bij beetje krijgt Jan zijn leven terug. Hij kan de paarden zelf weer verzorgen. De dagelijkse wandelingen worden langer en langer. “Het is gewoon een kwestie van trainen, elke dag een stukje verder.” Het is natuurlijk best spannend als Jan zijn rondje doet en Catrien thuis blijft. Of als Catrien naar een vergadering moet, maar eigenlijk niet goed durft. Daarom krijgen Jan en Catrien allebei een mobiele telefoon. “Ze hadden wel gewaarschuwd dat je als partner geen oppas moet worden, maar dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan”. Zo nu en dan belt Jan even met Catrien. “Ik sta nu achter in de tuin en het is hier mooi weer hoor!” Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar zijn humor heeft hem vast geholpen bij zijn herstelproces.

Pas na twee jaar is Jan volledig actief. Hij wordt niet weer de oude, dat is logisch met een hartcapaciteit van 30 procent. Maar Jan geeft niet op en zet zijn zinnen op het wandelen van de Slachtemarathon in 2012. Samen met zijn Catrien gaat hij in training met het doel de marathon voor de helft te lopen. Uiteindelijk lukt het ze de hele 42 kilometer uit te lopen. De trofee geeft Jan aan zijn cardioloog. Als dank voor de hulp en de ruimte die hij Jan geeft om zijn eigen aanpak te kiezen. De cardioloog is ‘uit de schroeven!’ Dit is waar ik mijn werk voor doe”.

1 reactie

  1. Andele Brenninkmeijer 11 maart 2016 at 19:50

    Wat een prachtig verhaal! Een verhaal over doorzettingsvermogen en eigenzinnigheid die Jan siert! En hem weer heel ver de goede kant op geholpen heeft. Respect!

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may also like